Met een licht briesje in de rug fiets ik over de dijk. Op enige afstand zitten een jongen en een meisje op de bank. Ik zie geen fietsen, dus ze moeten zijn komen lopen. Gezien de ligging van het bankje moet dat een aardige tocht zijn geweest. Het weer stond een dergelijke wandeling toe. Ondanks dat het nog vroeg in het voorjaar was, probeerde de zon de schemering op afstand te houden. De temperatuur was aangenaam. Een optimist had beslist van een vroege zomeravond gesproken.
De jongen en het meisje zitten daar niet zomaar. De jongen lijkt te controleren of de schepen op de Rijn zich aan de regels houden en heeft daartoe een stoere en open houding aangenomen. Zijn linkarm bungelt nonchalant over de rugleuning van het bankje. Zijn benen staan wat uit elkaar en met zijn rechtelleboog steunt hij op zijn bovenbeen. Het meisje zit er wat schuchter bij. Eén been heeft ze opgetrokken en laat daar haar rechterarm op rusten. Het is duidelijk dat ze de wandeling niet hebben gemaakt om naar de boten of de vogels te kijken.
Zodra ik het stelletje nader zie ik dat ze wat ouder zijn dan dat ik aanvankelijk had gedacht. De jongen zal net geen twintig zijn. Het meisje net iets jonger. Ze lijken te praten, al is het met korte tussenpozen. Het meisje oogt wat verlegen, maar is wel de degene van de meeste woorden. Aan enkel haar glimlach is de liefde al af te lezen. Haar eerste grote liefde. Dat is de wandeling zeker waard geweest. Even denk ik terug aan de zomers van de jaren negentig, maar het meisje houdt me van wegdromen af. Als ik dichterbij zou kunnen komen, zou ik de twinkeling in haar ogen kunnen zien. Het zijn juist deze ogen waarvan een man alleen maar stil kan worden.
Als ik het bankje passeer valt me de starre houding van de jongen op. Hij is niet stoer. Hij heeft geen oog voor de schepen op het water, laat staan de regels. Hij kijkt alleen richting de horizon zodat zij hem niet aan kan kijken. Anders zou ze zijn tranen zien.
Ik verminder vaart en kijk naar dezelfde horizon. Ik zie de vragen van de jongen voor me. Het zijn bekende vragen, die horen bij de leeftijd. Dat probeerden ze mij destijds wijs te maken. Ik voorzag daardoor een saai leven. Niets bleek minder waar, de vragen bleven komen en werden intensiever. En vooral, dat is nog wel het lastigste, steeds moeilijker. Ik vloek een keer lachend. Eigenlijk was het toen helemaal geen probleem. Al die buikpijn en tranen waren voor niets geweest. Veel wijzer was ik er immers niet van geworden.
Voordat ik weer versnel kijk ik nog een keer achterom. De jongen en het meisje kussen elkaar, althans, de jongen kust het meisje. Zelfs op afstand straalt de jongen liefde en opluchting uit. Hij heeft een keuze gemaakt, althans, voorlopig. Zij heeft haar armen om de jongen heengeslagen en zij accepteert zijn keuze.
In mijn oordopjes klinken de tonen van Everybody Hurts van R.E.M. “Don’t let yourself go, ’cause everybody cries n everybody hurts sometimes”
Ik staar naar de horizon.



